Vaccinaties

Wij hanteren een ander vaccinatieschema dan de meeste andere praktijken en we geven ook andere adviezen. Hoofdreden hiervoor is, dat een enting bij huisdieren met een slechte weerstand, een auto-immuunziekte of een andere acute of chronische ziekte ernstige gevolgen kunnen hebben. We zijn niet tegen vaccineren, maar wel voor een individueel beleid.

 

Immuunsysteem

Wanneer een zoogdier wordt geboren, functioneert het eigen immuunsysteem nog niet. Het krijgt daarom via de eerste afgifte van moedermelk, de biest genoemd, de antistoffen tegen allerlei ziektes binnen die het nodig heeft om beschermd te zijn. Deze stoffen worden ‘maternale antistoffen’ genoemd: antistoffen die van de moeder afkomstig zijn.

De hoeveelheid antistoffen die het jonge dier binnenkrijgt hangt af van hoeveel hij van de biest heeft gedronken en hoeveel antistoffen er in de biest zitten. De antistoffen worden na verloop van de tijd steeds minder en vervolgens moet het dier zelf in contact komen met virussen om een goed immuunsysteem te ontwikkelen.

Om te voorkomen dat een dier bepaalde gevaarlijke of besmettelijke ziektes krijgen, wordt het op jonge leeftijd gevaccineerd. Een vaccinatie houdt in dat een minimale hoeveelheid van (levend verzwakte of dode) virus of bacterie wordt ingespoten. Het is de bedoeling dat het net genoeg bacillen zijn om het lichaam te stimuleren antistoffen aan te gaan maken, maar ook weer te weinig om het dier echt ziek te maken. De reden hiervoor is dat als een dier in aanraking komt met een virus waarvoor geënt is, dat het lichaam sneller en beter de ziekte kan aanvallen. Naast deze specifieke immuniteit waar geheugencellen een belangrijke rol spelen, heeft elk lichaam ook nog een minder specifieke immuniteit welke het lichaam beschermen tegen de allerdaagse dingen. Hier vormt de zelfgemaakte vitamine C bijvoorbeeld een belangrijke rol.

 

Vaccinaties hond

In Nederland worden pups standaard op 6, 9, 12 en 52 weken gevaccineerd met de kern vaccinaties (Hondenziekte, parvo en leverziekte). Dit zou volgens de Nederlandse richtlijnen voldoende bescherming moeten geven. Maar vaccinaties kunnen pas goed aanslaan als de zogenaamde ‘maternale antistoffen’ voldoende zijn gedaald. Recente onderzoeken hebben aangetoond dat bij honden er nog voldoende maternale antistoffen aanwezig zijn tijdens de eerste 8-16 weken. Dit betekent dat er heel veel honden in Nederland volgens het huidige vaccinatieregime hun gehele eerste levensjaar niet of minimaal beschermd zijn.

Ook de World Small Animal Veterinary Association (WSAVA) adviseert om later te vaccineren. Het advies van de WSAVA is om te vaccineren in de 9e, 13e, 17e en 26ste week. De meeste honden zullen op 17 weken te weinig maternale antistoffen hebben, waardoor de vaccinatie een goede bescherming zal geven. Uw hond wordt echter nog steeds vier keer gevaccineerd terwijl één vaccinatie maar nodig zou hoeven zijn. De vaccinatie, gegeven op het juiste moment als de maternale antistoffen laag zijn, zal voor minimaal 1 jaar een goede bescherming geven. Om dit moment te bepalen zou op 9, 13 en 17 weken een titerbepaling gedaan moeten worden. Hiermee wordt een druppel bloed afgenomen waarna middels de vaccicheck de hoeveelheid antilichamen wordt bepaald. Dit heeft ook volgens de WSAVA de voorkeur. Helaas wordt er in Nederland nog het meest volgens de richtlijnen van de faculteit diergeneeskunde en de farmaceutische industrie gevaccineerd.

Vaccinaties hebben nu ook steeds meer bewezen negatieve effecten. Ze worden in verband gebracht met auto-immuunziekten, maagdarmproblemen, huidproblemen, epilepsie en voedselallergieën. Volgens de Traditionele Chinese Geneeskunde (TCG) kan het vaccineren direct Lever Vuur geven. Symptomen van Lever Vuur zijn ontstekingen, woede, irritatie en interne spanningen.

Voor de leptospirose enting voor de hond (ziekte van Weil) geldt nog wel een registratie van een jaar. Wij raden ook aan om deze enting elk jaar te blijven herhalen. Er zijn vele tientallen Leptospira bacteriën die de ziekte kunnen overdragen. De bruine rat, maar ook de muis of een egel zijn de dragers van de Leptospira bacteriën en kunnen honden (en mensen) besmetten via besmette urine (via huid of slijmvlies). De vaccinaties die er zijn geven helaas nooit een 100% bescherming, maar de nieuwste vaccinatie waarin de twee nieuwste meest voorkomende Leptospira stammen in verwerkt zijn (nobivac of versican L4) geeft wel de beste bescherming tot 70%.  Ook dit zal een individueel advies blijven. Een klein hondje, wat angstig is bij de eerste druppel water en nauwelijks de grond aanraakt, hoeft geen ziekte van weil enting te krijgen. Ook heeft Nederland gebieden met veel en weinig ratten en daardoor meer en mindere kans op besmetting met ziekte van Weil.

Vaccinatie kat

Een recent onderzoek heeft aangetoond dat 35% van de katten op 16 weken leeftijd nog voldoende maternale antistoffen hebben. In Nederland worden katten standaard gevaccineerd op 9, 12 en 52 weken leeftijd. Net als bij de hond betekent dit dus dat er veel katten het eerste levensjaar niet beschermd rondlopen. De WSAVA adviseert om op 9, 13, 17 en 26 weken te vaccineren. Hiermee zorgt het er in ieder geval voor dat alle katten vanaf 26 weken goed beschermd zijn. Mooier is om op dezelfde tijden de kat te titeren. Hiermee wordt, net als bij de hond, het ideale moment bepaald om te vaccineren, zonder dat er teveel onnodige vaccinaties gegeven worden.